Webinar: "Hoe zit het met de Nederlandse zorgverzekering en Europa?"

Dinsdag 8 december 2020 vond het eerste SKGZ webinar plaats. Gerard de Groot en Edwin Niezen namen de deelnemers mee in de wet- en regelgeving met betrekking tot de Nederlandse zorgverzekering in relatie tot Europa. In totaal mochten wij 143 deelnemers verwelkomen en werd het webinar beoordeeld met een 7!

De focus van het webinar lag op de regels met betrekking tot de aanspraken die iemand heeft als hij of zij deelneemt aan de sociale ziektekostenverzekering van een EU/EER-lidstaat. We bespraken dit onderwerp aan de hand van de ontstaansgeschiedenis en de inhoud van de geldende verdragen, verordeningen en richtlijnen.

Kon u niet aan het webinar deelnemen? Of wilt u alles nog eens rustig doorlezen of terugkijken? Dat kan! Hieronder ziet u de presentatie, de gestelde vragen met bijpassende antwoorden, een filmpje van het webinar en achtergrondinformatie.

PDF van de gegeven presentatie

Vraag en antwoord

Vraag 1: Is voor zorg in een andere lidstaat altijd voorafgaande toestemming van de zorgverzekeraar nodig?

Antwoord 1: Nee. Het toestemmingsvereiste kan in drie situaties voorkomen.

In de eerste plaats is er de route van verordening 883/2004. Artikel 20 bepaalt dat voorafgaande toestemming van het uitvoeringsorgaan vereist is voor behandeling in een andere lidstaat, maar uit het arrest Elchinov blijkt dat er sprake kan zijn van ‘bijzondere omstandigheden’ waardoor het vragen van voorafgaande toestemming niet van betrokkene kan worden gevergd.

Voorts is er de route van de Patiëntenrichtlijn 2011/24. Uitgangspunt hierbij is dat geen voorafgaande toestemming nodig is, tenzij … (zie bijvoorbeeld artikel 8 van de Patiëntenrichtlijn). Volgens de richtlijn zou in ieder geval aanspraak moeten kunnen worden gemaakt op vergoeding volgens de wet- en regelgeving van de lidstaat van aansluiting. Nu kan hierin een toestemmingsvereiste zijn opgenomen. Dat vereiste mag niet absoluut zijn en moet ruimte bieden voor uitzonderingen in ‘bijzondere omstandigheden’. Zo niet, dan is sprake van strijd met het VWEU/de Patiëntenrichtlijn, zoals blijkt uit het arrest WO.

Tot slot bepaalt artikel 14 Zvw dat een zorgverzekeraar het vereiste van voorafgaande toestemming mag hanteren. Dit kan dus ook zijn opgenomen voor behandeling in het buitenland, waaronder behandeling in een andere EU/EER-lidstaat.

Vraag 2: Heeft een verzekerde tijdens kort verblijf (bijv. vakantie) in een andere lidstaat alleen aanspraak op spoedeisende zorg?

Antwoord 2: Nee. Volgens artikel 19 Verordening 883/2004 gaat het om: verstrekkingen welke tijdens het verblijf medisch noodzakelijk worden, met inachtneming van de aard van de verstrekkingen en de verwachte duur van het verblijf

Vraag 3: Kan een verzekerde zich rechtstreeks beroepen op de regels over grensoverschrijdende zorg uit Patiëntenrichtlijn?

Antwoord 3: Nee. Een Europese richtlijn heeft namelijk geen rechtstreekse werking. Doel van de richtlijn is harmonisatie van de wetgeving van de lidstaten op een bepaald onderwerp. Daartoe moet de richtlijn worden omgezet in nationale regelgeving. In de Nederlandse situatie werd door de wetgever geoordeeld dat de Zorgverzekeringswet, het Besluit zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering al in overeenstemming waren met de Patiëntenrichtlijn.

Als een richtlijn niet goed is omgezet, dan kan de lidstaat daarop worden aangesproken door de Europese Commissie of door een belanghebbende in een gerechtelijke procedure. In voorkomend geval kan de rechter overigens besluiten tot een richtlijnconforme interpretatie van nationale wet- en regelgeving.

Vraag 4: Wat is het verschil tussen het werkland en woonland? Hoe verhoudt het één zich tot en het ander?

Antwoord 4: Bij de begrippen woonland en werkland gaat het om grensarbeiders. Vo.nr. 883/2004 heeft tot doel zaken te coördineren, waaronder de verzekering tegen ziektekosten van migrerende arbeiderskrachten. Grensarbeiders wonen in het ene land en werken in het andere. Volgens de verordening geldt als hoofdregel dat iemand verzekerd is in het land waar hij/zij werkt. Dat noemen wij het werkland. Het werkland is tevens de lidstaat van aansluiting.

Als iemand woont in Nederland (woonland) en werkt in België (werkland), is hij/zij in laatstgenoemd land verzekerd tegen ziektekosten. Dáár wordt dus ook premie afgedragen en vindt inschrijving plaats bij de mutualiteit. De verzekeringsaanspraken worden bepaald naar Belgisch recht. Omdat dit in het woonland problematisch kan zijn, is in de verordening bepaald dat een grensarbeider zich – in dit geval met een formulier van de Belgische mutualiteit – kan aanmelden bij het uitvoeringsorgaan van de sociale ziektekostenverzekering in het woonland. Daarna heeft hij/zij ook in dat land aanspraken, volgens de plaatselijke regelgeving.

In de Nederlandse situatie gaat de Belgische verzekering voor op de Nederlandse verzekeringsplicht op grond van de Zvw, ook al woont betrokkene dus hier. Zou deze grensarbeider toch een zorgverzekering krijgen, dan doorkruist dit de systematiek van de verordening. Dit is praktisch gezien zo opgelost dat de grensarbeider die in België werkt en in Nederland woont een ‘Verdragspolis’ krijgt van het aangewezen uitvoeringsorgaan, CZ. Die ‘Verdragspolis’ is nadrukkelijk geen zorgverzekering gebaseerd op de Zvw, en er wordt in Nederland dus ook geen premie voor betaald.

Grensarbeiders kunnen vervolgens kiezen waar zij de zorg betrekken, in het woonland volgens de regels van de ‘Verdragspolis’ of in het werkland volgens de regels van de Belgische sociale ziektekostenverzekering.

Vraag 5: In welke landen gelden deze afspraken?

Antwoord 5: Een en ander speelt in de lidstaten van de Europese Unie (EU) en de Europese Economische Ruimte (EER). Bedenk hierbij dat bepaalde buitengebieden soms wel tot de EU/EER worden gerekend, en sommige staten binnen Europa juist weer niet, bijv. Monaco. Tussen de EU en de Zwitserse Bondsstaat bestaat dan weer een verdrag waardoor de positie van laatstgenoemde staat vergelijkbaar is met die van een lidstaat.

Video-opname van het webinar

Achtergrondinformatie