Bindend advies GcZ, 20 februari 2026, SKGZ202500911
- 202500911
Uitspraak
Verzoeker heeft aan de commissie verzocht te bepalen dat de kosten van de in december 2024 bij verzekerde uitgevoerde tandheelkundige behandeling (volledig) dienen te worden vergoed ten laste van de zorgverzekering. Volgens de ziektekostenverzekeraar bestaat hierop geen aanspraak. De commissie stelt vast dat de ziektekostenverzekeraar verzoeker financieel tegemoet wil komen, maar dat verzoeker een principe uitspraak wenst. In dit verband wordt overwogen dat bij verzekerde sprake is van een indicatie voor bijzondere tandheelkundige zorg op grond van artikel 2.7, eerste lid, onder b, Bzv, waarvoor op grond van artikel 2.31, eerste lid, Rzv een eigen bijdrage is verschuldigd, gelijk aan de kosten van reguliere tandheelkundige zorg. In dit geval is aanvankelijk vanwege het verlopen van de machtiging door de tandarts uitsluitend reguliere tandheelkundige zorg gedeclareerd, zodat geen aanspraak bestaat op vergoeding ten laste van de zorgverzekering. Vervolgens is een aanvraag gedaan om code X831 met terugwerkende kracht te mogen toepassen. Deze aanvraag is door de ziektekostenverzekeraar akkoord bevonden, waarbij is opgemerkt dat de verrichtingen met codes C002, M01 en M03 niet vallen onder de bijzondere tandheelkundige zorg. De zorgverlener heeft hiermee “onder protest” ingestemd. De commissie overweegt dat genoemde codes zien op reguliere tandheelkundige zorg. Dat in het verleden hiervoor vergoeding is verleend is thans niet meer relevant, nu de ziektekostenverzekeraar heeft toegezegd de in december 2024 gemaakte kosten -na overlegging van de nota - alsnog uit coulance te vergoeden en verzekerde vanaf 24 december 2024 een Wlz-indicatie heeft. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 20 februari 2026, SKGZ202500911