Bindend advies GcZ, 30 januari 2026, SKGZ202402000
- 202402000
Uitspraak
Verzoekster heeft in januari 2024 een cochleair implantaat gekregen ten behoeve van haar linkeroor. Tijdens de revalidatie zijn aanvullende gehoortesten gedaan. Hieruit bleek een meerwaarde voor het dragen van een hoortoestel in het rechteroor. De behandelend audioloog heeft een hoortoestel van het type Phonak Naida Link M AHO voorgeschreven. Verzoekster heeft dit toestel aangeschaft bij een zorgaanbieder die niet door de ziektekostenverzekeraar is gecontracteerd. De kosten van het hoortoestel bedragen € 1.520,--. Bij brief van 8 juni 2024 heeft de ziektekostenverzekeraar aan verzoekster meegedeeld dat een vergoeding wordt verleend van € 719,40. De commissie beslist tot afwijzing van het verzoek het hoortoestel alsnog volledig te vergoeden. Gelet op de brief van de ziektekostenverzekeraar van 8 juni 2024 is het gemiddeld gecontracteerde tarief voor een hoortoestel in 2024 € 1.199,--. Hierop is een eigen bijdrage in mindering gebracht van 25% (€ 299,75). Op het restant van € 899,25 is een korting toegepast van 20%, zodat een te vergoeden bedrag overblijft van € 719,40. Gelet op het bepaalde in de voorwaarden van de zorgverzekering en het reglement is deze vergoeding juist berekend. Voorts is – anders dan door verzoekster is gesteld - niet gebleken dat telefonisch onjuiste informatie is verschaft, is sprake van een redelijke reisafstand tot gecontracteerde zorg, en heeft de ziektekostenverzekeraar de zorgplicht niet geschonden.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 30 januari 2026, SKGZ202402000