Bindend advies GcZ, 23 september 2026, SKGZ202501559
- 202501559
Uitspraak
De indicerend wijkverpleegkundige heeft op 20 februari 2025 bij verzoeker en erflaatster een indicatie gesteld voor Persoonlijke Verzorging op basis van 9 uren en 20 minuten per week respectievelijk 12 uren en 50 minuten per week. Verzoeker heeft op grond hiervan aanvragen ingediend voor een PGB vv. De ziektekostenverzekeraar heeft de aanvragen ten behoeve van verzoeker en erflaatster afgewezen, omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor verantwoord beheer van het PGB vv. Daarbij speelde een rol dat de zoon van verzoeker en erflaatster gebruik had gemaakt van de diensten van Informeles bij het beheer van het PGB vv van erflaatster en voornemens was dit ook bij verzoeker te doen. Ten aanzien van erflaatster geldt dat zij zich liet vertegenwoordigen door haar zoon en dat deze bij het PGB-beheer Informeles had ingeschakeld. Dit is in strijd met artikel 4, elfde lid, van het toepasselijke reglement. Daarnaast mocht de ziektekostenverzekeraar verlenging weigeren op grond van artikel 3, derde lid, sub a, in samenhang met artikel 4, zevende lid, van het reglement, omdat bij een eerdere verstrekking gelet op de constructie met Informeles niet conform de aan het PGB verbonden verplichtingen was gehandeld. Het beroep op gewekt vertrouwen slaagt niet, omdat de ziektekostenverzekeraar gemotiveerd heeft weersproken dat hij van de constructie met Informeles had kunnen of moeten weten en het aan erflaatster en haar vertegenwoordiger was zich van de voorwaarden te vergewissen. Ook de aanvraag ten behoeve van verzoeker mocht worden afgewezen. Dit betrof weliswaar zijn eerste aanvraag, maar hij had zijn zoon als vertegenwoordiger opgegeven. Omdat deze zoon bij het PGB vv van erflaatster jarenlang Informeles had ingezet, bestond ook bij verzoeker een weigeringsgrond. Dat de inschakeling van Informeles volgens verzoeker door de gemeente was geadviseerd en dat de zoon later heeft meegedeeld met Informeles te zullen stoppen, maakt dit niet anders. De commissie wijst beide verzoeken daarom af.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 23 september 2026, SKGZ202501559