Chat with us, powered by LiveChat Bindend advies GcZ, 9 oktober 2026, SKGZ202501954 - SKGZ
Menu overslaan

Bindend advies GcZ, 9 oktober 2026, SKGZ202501954

Gedeeltelijk toegewezen

- 202501954

Begin, einde verzekering
Verzoekster heeft aanspraak op vergoeding van een deel van de betaalde premie, maar niet op verdergaande (premie)compensatie.

Uitspraak

Verzoekster heeft aan de commissie verzocht te bepalen dat de ziektekostenverzekeraar gehouden is aan haar een billijke premiecompensatie te verlenen. De ziektekostenverzekeraar heeft uit coulance aangeboden het verschil in premie tussen de aanvullende ziektekostenverzekering en de aanvullende verzekering met betrekking tot de periode van 4 mei 2025 tot en met 4 september 2025 te vergoeden. Het betreft hierbij een bedrag van totaal € 168,30. Verzoekster heeft dit aanbod afgewezen. De commissie schetst het wettelijk kader en stelt vast dat gedurende een deel van het jaar de aanvullende ziektekostenverzekering van kracht is geweest en dat hiervoor de overeengekomen premie is verschuldigd. In het tijdvak van 4 mei 2025 tot en met 4 september 2025 was de aanvullende verzekering (Benfit) – met een lagere dekking – van kracht. De commissie oordeelt dat, gelet op de stellingen van verzoekster, sprake is van drie onderscheiden verzekeringsperioden, en dat voor genoemde verzekering de overeengekomen premie in rekening mag worden gebracht. Volgens de ziektekostenverzekeraar is het verschil in premie tussen de beide verzekeringen over bedoelde periode € 168,30. Verzoekster heeft de juistheid van dit bedrag niet bestreden. Daarom beslist de commissie dat met de terugbetaling hiervan, zoals door de ziektekostenverzekeraar aangeboden, premie en dekking voor genoemd tijdvak met elkaar in overeenstemming zijn gebracht. Volgens verzoekster is dit echter niet toereikend en is de ziektekostenverzekeraar gehouden een billijke premiecompensatie te bieden, waarbij zij een bedrag van € 607,32 heeft genoemd. De commissie stelt vast dat op verzoekster, gelet op artikel 150 Rv, de stelplicht en bewijslast rusten en dat zij er niet in is geslaagd aan te tonen dat zij door de beslissing van de ziektekostenverzekeraar om de aanvullende ziektekostenverzekering op te zeggen schade heeft geleden. De verwijzing naar de artikelen 6:2 en 6:248 BW in dit verband treft geen doel. De commissie ziet vanwege de gang van zaken wel aanleiding te bepalen dat de ziektekostenverzekeraar het klachtgeld van € 37,- aan verzoekster moet vergoeden. Het verzoek wordt gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak Bindend advies GcZ, 9 oktober 2026, SKGZ202501954