Bindend advies GcZ, 3 december 2025, SKGZ202401463
- 202401463
Uitspraak
Verzoekster heeft de commissie verzocht te bepalen dat de zorgverzekeraar niet gerechtigd was om haar zorgverzekering met ingang van 20 februari 2023 te beëindigen, onderscheidenlijk dat hij deze na ontvangst van de loonstrook van april 2023 met terugwerkende kracht tot die datum had moeten herstellen. De commissie merkt allereerst op dat de zorgverzekeraar lopende de procedure aan verzoekster het voorstel heeft gedaan om aan het verzoek tegemoet te komen door herstel van de zorgverzekering met terugwerkende kracht. Verzoekster heeft dit voorstel niet geaccepteerd. Waar het gaat om de rechtmatigheid van de beëindiging overweegt de commissie dat verzoekster destijds niet stond ingeschreven in de BRP. Ook bleek uit de loonstrook van april 2023 niet dat dat zij loonbelasting betaalde, zodat de commissie het aannemelijk acht dat verzoekster ten tijde van de beëindiging niet op grond van de Wlz was verzekerd. Verzoekster heeft dit niet ontzenuwd, omdat zij heeft nagelaten een Wlz-verklaring over te leggen. De commissie concludeert dat de zorgverzekeraar mocht aannemen dat de verzekeringsplicht van verzoekster was geëindigd, zodat hij de zorgverzekering mocht beëindigen, en hij vervolgens niet verplicht was tot herstel met terugwerkende kracht op basis van de overgelegde loonstrook.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 3 december 2025, SKGZ202401463