Bindend advies GcZ, 16 december 2025, SKGZ202401562
- 202401562
Uitspraak
Verzoekster heeft aan de commissie verzocht te bepalen dat (1) de ziektekostenverzekeraar gehouden is de door haar in Lissabon, Portugal, gemaakte kosten, bestaande uit de kosten van de operatie, voor- en na-onderzoeken, chemotherapie, nazorg en bijkomende zorgkosten, volledig te vergoeden, (2) haar een vergoeding voor immateriële schade te verlenen, en (3) de medische spoedeisendheid van de situatie te erkennen en een schriftelijke rectificatie op te stellen. Ter zitting heeft verzoekster de commissie verzocht te bepalen dat (1) de diagnose ‘darmkanker stadium 3 met uitzaaiingen’ juridisch en medisch gezien niet als ‘planbare zorg’ kan worden aangemerkt; (2) de weigering van de ziektekostenverzekeraar om de zorg te vergoeden strijdig is met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 11 van de Grondwet en artikel 11 van de Zorgverzekeringswet, en (3) de ziektekostenverzekeraar gehouden is de door verzoekster gemaakte of verschuldigde kosten volledig te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente. Volgens de ziektekostenverzekeraar bestaat op dit alles geen aanspraak. De commissie overweegt dat binnen het Europeesrechtelijk kader twee mogelijkheden tot vergoeding van in een andere (lid)staat gemaakte zorgkosten bestaan, namelijk op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 in combinatie met Verordening (EG) nr. 987/2009, en de sociale ziektekostenverzekering van de bevoegde lidstaat, in dit geval de Nederlandse zorgverzekering. Waar het de verordening betreft, geldt dat de ziektekostenverzekeraar is overgegaan tot tarifering in Portugal. De uitkomst hiervan is nog niet bekend en een en ander valt overigens buiten de bevoegdheid van de commissie. Voor zover vergoeding op basis van de zorgverzekering aan de orde is, heeft de ziektekostenverzekeraar de hoogte van de vergoeding voor de operatie in overeenstemming met de verzekeringsvoorwaarden vastgesteld. In het kader van de aanvullende ziektekostenverzekering vindt de beoordeling van de medische spoedeisendheid plaats door de medisch adviseur van de ziektekostenverzekeraar. Deze heeft geoordeeld dat medisch gezien geen sprake was van spoed. Dit blijkt ook uit de tijd die heeft gezeten tussen het onderzoek en de operatie. De commissie ziet voorts geen grond om te bepalen dat de ziektekostenverzekeraar de reiskosten, kosten van verblijf, en gemiste inkomsten van de dochter van verzoekster dient te vergoeden ten laste van de zorgverzekering. Voor de reiskosten tijdens de opnames in het ziekenhuis is al een bedrag van € 324,86 vergoed ten laste van de aanvullende ziektekostenverzekering. Toepassing van hetgeen tussen partijen is overeengekomen leidt onder de geven omstandigheden niet tot een uitkomst die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verzoekster had de extra kosten die hiervan het gevolg zijn, en die nu voor haar rekening blijven, kunnen vermijden. Een onderbouwing van haar argumenten, waarom dit anders zou zijn, ontbreekt. Op basis van het toepasselijke reglement kan de commissie geen vergoeding voor immateriële schade toekennen. Voor toewijzing van de gevorderde wettelijke rente bestaat geen grond, nu de vergoeding juist is bepaald. Het verzoek wordt afgewezen.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 16 december 2025, SKGZ202401562