Bindend advies GcZ, 9 januari 2026, SKGZ202500091
- 202500091
Uitspraak
Verzoekster heeft aan de commissie verzocht te bepalen dat zij geen fraude heeft gepleegd en dat de door de zorgverzekeraar opgelegde maatregelen, met uitzondering van de beëindiging van de zorgverzekering, daarom dienen te vervallen. Verzoekster heeft gesteld dat zij de valse nota’s niet zelf heeft ingediend. Dit zou zijn gedaan door een derde. De zorgverzekeraar heeft erop gewezen dat verzoekster uitkeringsspecificaties heeft ontvangen en dat bedragen op haar rekening zijn bijgeschreven. Verder heeft het indienen van de nota’s en het chatverkeer plaatsgevonden met een zelfde telefoon als die waarover verzoekster beschikt. Om dit te kunnen doen moet men de beschikking hebben over haar DigiD. De commissie overweegt dat vaststaat dat de nota’s vals zijn. Verzoekster is voor het indienen verantwoordelijk. Anders dan door verzoekster is gesteld, is niet gebleken dat een derde zonder haar medeweten gebruik heeft gemaakt van haar DigiD, dan wel dat haar simkaart is gekloond. Hiermee staat het opzet te misleiden en daarmee de fraude vast. De commissie beslist dat de uitgekeerde en verrekende bedragen ten onrechte zijn ontvangen en daarom moeten worden terugbetaald door verzoekster. Het opnemen van haar persoonsgegevens in de diverse registers voldoet aan de eis van subsidiariteit en registratie van deze gegevens is op zichzelf gerechtvaardigd. Waar het gaat om de proportionaliteit van de duur van de registratie geldt dat voor de registratie in het EVR de termijn in stand kan blijven. Voor die in het Incidentenregister, het IVR en de Gebeurtenissen-administratie gedurende de maximale termijn van 8 jaren ontbreekt een overtuigende motivering en wordt deze door de commissie teruggebracht tot 5 jaren. Een langere termijn voldoet niet aan de eis van proportionaliteit. De onderzoekskosten zijn terecht bij verzoekster in rekening gebracht.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 9 januari 2026, SKGZ202500091