Chat with us, powered by LiveChat Bindend advies GcZ, 4 februari 2026, SKGZ202501034 - SKGZ
Menu overslaan

Bindend advies GcZ, 4 februari 2026, SKGZ202501034

Gedeeltelijk toegewezen

- 202501034

Plastisch-chirurgische zorg
Verzoekster heeft aanspraak op vergoeding van de kosten van een interne neusklepcorrectie ten laste van de zorgverzekering. De uitgevoerde externe neusklepcorrectie voldoet niet aan de ‘stand van de wetenschap en praktijk’ en vormt daarom geen verzekerde zorg. Over de door verzoekster rechtstreeks van de behandelend KNO-arts ontvangen factuur van € 1.500,-- voor een rhinoplastiek kan de commissie geen uitspraak doen.

Uitspraak

Verzoekster heeft aan de commissie primair verzocht te bepalen dat de ziektekostenverzekeraar is gehouden de aanvraag voor een rhinoplastiek goed te keuren, en subsidiair dat de ziektekostenverzekeraar de door haar rechtstreeks van de behandelend arts ontvangen factuur van € 1.500, -- voor een rhinoplastiek dient te vergoeden. De ziektekostenverzekeraar heeft gesteld dat onvoldoende is gemotiveerd waarom een septumcorrectie niet voldoende is om de klachten op te lossen. De aangevraagde behandeling voldoet niet aan de ‘stand van de wetenschap en praktijk’. De commissie overweegt dat volgens het operatieverslag een septumcorrectie, een uitwendige en een inwendige neusklepplastiek zijn uitgevoerd. Een septumcorrectie is machtigingsvrij en kan worden vergoed vanuit de zorgverzekering. Uit het standpunt ‘Neusklepcorrectie bij een luchtwegblokkade’ van 15 mei 2025 van het Zorginstituut volgt dat een externe neusklepcorrectie niet voldoet aan de ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Verzoekster heeft hierop dan ook geen aanspraak. Er kan aanspraak bestaan op een interne neusklepcorrectie als wordt voldaan aan de criteria van het indicatieprotocol. Het Zorginstituut heeft in zijn advies van 12 november 2025 geconcludeerd dat verzoekster aan deze criteria voldoet. De commissie volgt deze conclusie en overweegt dat verzoekster aanspraak heeft op een interne neusklepcorrectie ten laste van de zorgverzekering. Dit betekent dat de ziektekostenverzekeraar is gehouden voor de interne neusklepcorrectie de juiste DBC vast te stellen en dat hij eventueel een aanvullende vergoeding aan verzoekster dient te verlenen, indien en voor zover het bijbehorende tarief hoger is dan hetgeen door hem al aan de zorgaanbieder is betaald ter zake de septumcorrectie. Over de factuur van € 1.500,-- voor een rhinoplastiek, afkomstig van de behandelend KNO-arts, kan de commissie geen uitspraak doen. Verzoekster en de arts zijn deze vergoeding volgens verzoekster separaat overeengekomen en onduidelijk is waarop deze ziet. Er is in dit verband niet gedeclareerd volgens de DBC-systematiek. Ten aanzien van geschillen tussen zorgaanbieders en patiënten is de commissie niet bevoegd. Het verzoek wordt deels toegewezen. De commissie ziet daarom aanleiding de ziektekostenverzekeraar te verplichten het klachtgeld van € 37,-- aan verzoekster te vergoeden.

Uitspraak Bindend advies GcZ, 4 februari 2026, SKGZ202501034