Bindend advies GcZ, 8 april 2026, SKGZ202500593
- 202500593
Uitspraak
Verzoekster heeft een ongeval gehad waarbij haar beide voortanden zijn beschadigd. Hiervoor is in eerste instantie composiet geplaatst, maar omdat dit composiet afbrak en de tanden scheurtjes vertoonden is later een aanvraag voor facings ingediend bij de ziektekostenverzekeraar. De ziektekostenverzekeraar heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet is gekozen voor de meest eenvoudige en goedkope oplossing. De commissie beslist tot toewijzing van het verzoek de ziektekostenverzekeraar te verplichten de facings te vergoeden. De commissie overweegt dat, tegenover de onderbouwde stelling van verzoekster dat geen sprake is van duurzaam herstel, en dat dit uitsluitend mogelijk is door middel van de facings, de ziektekostenverzekeraar is blijven volharden in zijn standpunt dat de schade door het ongeval al – duurzaam - is hersteld met het aanbrengen van composiet, terwijl dat, gelet op de scheurtjes in het glazuur en het inmiddels afgebrokkelde composiet, niet het geval is. Hoewel bij het plaatsen van facings tandweefsel moet worden weggenomen, en de commissie de adviserend tandarts kan volgen in zijn opmerking dat hiermee verdere schade aan de elementen wordt aangebracht, staat niet ter discussie dat het te verwachten eindresultaat is dat de beide voortanden van verzoekster zoveel mogelijk worden teruggebracht in de staat die zij hadden voorafgaand aan het ongeval. Om deze reden is de commissie van oordeel dat de ziektekostenverzekeraar is gehouden het gevraagde alsnog toe te kennen, ten laste van de aanvullende ziektekostenverzekering, en overigens met inachtneming van het bepaalde in de verzekeringsvoorwaarden. Aangezien het verzoek hiermee wordt toegewezen, dient de ziektekostenverzekeraar aan verzoekster ook het vanwege deze procedure betaalde entreegeld te vergoeden.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 8 april 2026, SKGZ202500593