Bindend advies GcZ, 16 april 2026, SKGZ202501154
- 202501154
Uitspraak
Verzoekster heeft aan de commissie verzocht te bepalen dat de ziektekostenverzekeraar is gehouden de premie voor de aanvullende ziektekostenverzekering op haar naam over de periode van 2022 tot en met 2024 (36 maanden) terug te betalen. In dit verband stelt zij verkeerd te zijn voorgelicht door de ziektekostenverzekeraar. De ziektekostenverzekeraar heeft verklaard dat hij geen grond ziet voor terugbetaling, omdat uit de contactregistraties niet blijkt dat verzoekster onjuist is geïnformeerd. De commissie overweegt dat vaststaat dat verzoekster een aanvullende ziektekostenverzekering voor haar zoon en haarzelf heeft afgesloten. Op grond van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en bewijslast op verzoekster. Daarom dient zij aan te tonen dat zij telefonisch onjuist is voorgelicht. Hierin is zij niet geslaagd. De ziektekostenverzekeraar heeft – onder overlegging van de contactregistraties – onderbouwd dat verzoekster door hem correct is geïnformeerd. De commissie acht ook niet aannemelijk dat verzoekster onjuist is geïnformeerd, omdat uit artikel A31 blijkt dat voor kinderen een aanvullende verzekering met een uitgebreidere dekking kan worden afgesloten. Het aanbod van de ziektekostenverzekeraar heeft verzoekster afgewezen. De commissie wijst het verzoek af.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 16 april 2026, SKGZ202501154