Bindend advies GcZ, 29 april 2026, SKGZ202500440
- 202500440
Uitspraak
Namens verzoekster is bij de ziektekostenverzekeraar een aanvraag gedaan voor een lower bodylift. De ziektekostenverzekeraar heeft geoordeeld dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van de zorgverzekering. Dit omdat bij haar een verzekeringsindicatie ontbreekt, met name is bij de rug geen ‘dubbele rol’ aanwezig. Het Zorginstituut heeft in zijn adviezen aan de commissie opgemerkt dat bij verzoekster geen sprake is van een aantoonbare lichamelijk functiestoornis, in de vorm van een ernstige bewegingsbeperking of onbehandelbaar smetten. Het Zorginstituut concludeert daarentegen dat de buik, flanken en rug van verzoekster vergelijkbaar zijn met PRS-graad 3 zodat bij haar een uitgebreid beeld van verminking aan de orde is. De ziektekostenverzekeraar heeft deze conclusie van het Zorginstituut gemotiveerd betwist, waarna het Zorginstituut zijn conclusie heeft gehandhaafd. De commissie stelt vast dat aldus sprake is van een verschil van inzicht tussen het Zorginstituut en de ziektekostenverzekeraar. Hoewel de commissie de ziektekostenverzekeraar kan volgen in zijn stellingen, moet anderzijds worden opgemerkt dat het Zorginstituut niet uitsluitend heeft gesteld dat sprake is van een subjectieve beoordeling. Er is wel degelijk een onderbouwing geleverd. Daarmee ontbreekt een zwaarwegende reden om het advies van het Zorginstituut te passeren, zoals door de ziektekostenverzekeraar verzocht. Dit betekent dat wordt aangenomen dat bij verzoekster sprake is van PRS-graad 3 van de rug, en daarmee van een uitgebreid beeld van verminking, en dat zij aanspraak heeft op een lower bodylift ten laste van de zorgverzekering.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 29 april 2026, SKGZ202500440