Chat with us, powered by LiveChat Bindend advies GcZ, 8 mei 2026, SKGZ202500674 - SKGZ
Menu overslaan

Bindend advies GcZ, 8 mei 2026, SKGZ202500674

Afgewezen

- 202500674

Mondzorg
Verzoeker heeft, bij ontbreken van een verzekeringsindicatie, geen aanspraak op de aangevraagde orthodontische behandeling.

Uitspraak

De behandelend orthodontist heeft bij brief van 12 september 2024 namens verzoeker bij de ziektekostenverzekeraar een aanvraag gedaan voor een gecombineerde orthodontische en chirurgische behandeling. Bij brief van 7 oktober 2024 heeft de ziektekostenverzekeraar aan verzoeker meegedeeld dat de chirurgische behandeling van de kaak wordt vergoed, maar dat geen vergoeding wordt verleend voor de vóór en na de chirurgie uit te voeren orthodontische behandeling. De commissie beslist tot afwijzing van het verzoek de ziektekostenverzekeraar te verplichten alsnog tot vergoeding over te gaan. Een indicatie voor bijzondere tandheelkundige hulp als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, Bzv is aanwezig in geval van een tandheelkundig functieprobleem als gevolg van een zeer ernstige ontwikkelings- of groeistoornis van het tand-kaak-mondstelsel. Eén van de aandoeningen op de ‘Indicatieve lijst’ is een zeer diepe beet met gingivaal of palatinaal trauma, met aantoonbare schade aan het parodontium. Het Zorginstituut schrijft in zijn advies aan de commissie van 19 januari 2026 dat uit de overgelegde klinische foto’s niet blijkt dat hiervan bij verzoeker sprake is. Een andere mogelijke aandoening volgens bedoelde lijst is een distorelatie klasse II met een overjet (horizontale overbeet of SOB) van meer dan 13 millimeter. Ook aan deze voorwaarde voldoet verzoeker niet. Om die reden concludeert het Zorginstituut dat bij verzoeker geen zeer ernstige ontwikkelings- of groeistoornis van het tand-kaak-mondstelsel aan de orde is, zodat hij geen verzekeringsindicatie heeft voor de orthodontische behandeling. Wat door verzoeker is aangevoerd, kan niet ertoe leiden dat van de strenge voorwaarden met betrekking tot orthodontie in bijzondere gevallen wordt afgeweken. De commissie volgt daarom de conclusie van het Zorginstituut. Dit betekent dat verzoeker geen aanspraak heeft op de aangevraagde orthodontische behandeling, ten laste van de zorgverzekering.

Uitspraak Bindend advies GcZ, 8 mei 2026, SKGZ202500674