Chat with us, powered by LiveChat Bindend advies GcZ, 18 mei 2026, SKGZ202501146 - SKGZ
Menu overslaan

Bindend advies GcZ, 18 mei 2026, SKGZ202501146

Gedeeltelijk toegewezen

- 202501146

Premie, eigen risico
Verzoekster heeft aan de commissie gevraagd te beslissen dat de ziektekostenverzekeraar (i) de hoogte van de door hem vastgestelde betalingsachterstand moet corrigeren, (ii) de aanvullende ziektekostenverzekering ten onrechte heeft beëindigd, en dat deze daarom met terugwerkende kracht tot 1 februari 2026 moet worden hersteld. De ziektekostenverzekeraar heeft verwezen naar het door hem aangeleverde financieel overzicht, waaruit het bestaan van een betalingsachterstand blijkt. Een deel van de vorderingen werd intussen door hem overgedragen aan de incassogemachtigde.

Uitspraak

De commissie stelt vast dat de betalingsachterstand € 676,05 bedraagt en overweegt vervolgens dat de ziektekostenverzekeraar ten aanzien van de verwerking van betalingen geen specifieke regeling heeft opgenomen in zijn polisvoorwaarden. Daarom is het bepaalde in de artikelen 6:203 en 6:43 BW onverkort van toepassing. Dit betekent in de eerste plaats dat de ziektekostenverzekeraar de door verzoekster betaalde, nog niet verschuldigde bedragen - net als in het verleden - aan haar had moeten terugstorten conform artikel 6:203 BW. De commissie acht correctie hiervan niet wenselijk, aangezien verzoekster dan weliswaar bedragen terugkrijgt, maar er ook weer vorderingen open komen te vallen. Daarom beslist de commissie dat de ziektekostenverzekeraar de van verzoekster ontvangen, op dat moment nog niet verschuldigde bedragen niet hoeft terug te storten. De volgende vraag is die naar de toerekening. Hierbij geldt als uitgangspunt dat toerekening eerst geschiedt op de meest bezwarende verbintenis, zoals is bepaald in artikel 6:43, tweede lid, BW. Hiervoor is toegelicht dat in afwijking van deze bepaling de ontvangen, op dat moment nog niet verschuldigde bedragen, zijn geboekt op – willekeurige – openstaande maandpremies. De commissie houdt er daarom rekening mee dat bij een juiste toerekening, overdracht aan de incassogemachtigde mogelijk (deels) had kunnen worden voorkomen. Om die reden wordt besloten dat de ziektekostenverzekeraar de overgedragen vordering van totaal € 598,90 dient terug te halen bij zijn incassogemachtigde en dat de bij verzoekster in verband met deze vordering in rekening gebrachte incassokosten en rente komen te vervallen. Tevens dient hij verzoekster een redelijke termijn te gunnen om het achterstallige bedrag van totaal € 676,05 alsnog te voldoen. Daarnaast bepaalt de commissie dat de ziektekostenverzekeraar is gehouden de met ingang van 1 februari 2026 beëindigde aanvullende ziektekostenverzekering te herstellen. Daar staat tegenover dat verzoekster de vanaf deze datum verschuldigde premie alsnog dient te voldoen. Dit leidt tot een gedeeltelijke toewijzing van het verzoek.

Uitspraak Bindend advies GcZ, 18 mei 2026, SKGZ202501146