Bindend advies GcZ, 6 mei 2026, SKGZ202501224
- 202501224
Uitspraak
Verzoekster heeft aan de commissie verzocht te bepalen dat de ziektekostenverzekeraar is gehouden het voor haar rekening gebleven bedrag van € 402,45 alsnog te vergoeden. De ziektekostenverzekeraar heeft verklaard dat de ingediende declaraties aanvankelijk verkeerd zijn verwerkt. Een en ander is echter gecorrigeerd. Het ter zake van de nota’s van 11 en 13 februari 2025 uitgekeerde bedrag wordt niet teruggevorderd. De commissie overweegt dat verzoekster niet redelijkerwijs is aangewezen op geriatrische revalidatiezorg. Waar het de aanspraak op fysiotherapie betreft, geldt dat de eerste 20 behandelingen niet ten laste van de zorgverzekering kunnen worden vergoed. De 21ste behandeling was op 17 februari 2025. Tot en met 23 april van dat jaar zijn 16 behandelingen fysiotherapie vergoed ten laste van de zorgverzekering, waarbij – zoals door de ziektekostenverzekeraar onweersproken is gesteld – de vergoeding voor de onder de dekking vallende behandelingen op 3, 9, 15 en 23 april 2025 is weggestreept tegen 4, op dat moment nog te corrigeren behandelingen in 2024 (te weten die van 17, 20, 23 en 30 december 2024, welke door de ziektekostenverzekeraar ten onrechte werden betaald). De kosten van de verzekerde behandelingen zijn aldus vergoed; Voor zover de behandelingen fysiotherapie in Spanje hebben plaatsgevonden bestaat geen aanspraak op verdere vergoeding vanuit Verordening (EG) nr. 883/2004. De aanvullende ziektekostenverzekering kent dekking voor 9 behandelingen. In 2024 zijn deze verbruikt in verband met een andere indicatie. Voor 2025 geldt dat verzoekster van 12 januari tot en met 29 februari 2024 behandelingen fysiotherapie heeft genoten en dat hiervan 9 zijn vergoed ten laste van de aanvullende ziektekostenverzekering. Door verzoekster is dit niet bestreden. Hieruit volgt dat de behandelingen op 8,13 en 15 november 2024, en 11, 13,17, 20, 23 en 30 december 2024 voor haar rekening blijven. De eerste 3 behandelingen ten bedrage van € 40,15 zijn rechtstreeks aan de revalidatiekliniek vergoed. Een bedrag van € 120,45 is bij verzoekster teruggevorderd. Ook de behandelingen fysiotherapie op 17, 20, 23 en 30 december 2024 zijn ten onrechte vergoed. Deze vergoeding is door de ziektekostenverzekeraar weggestreept tegen die voor de behandelingen op 3, 9, 15 en 23 april 2025, waarop aanspraak bestaat ten laste van de zorgverzekering, zoals hiervoor is uiteengezet. De commissie wijst het verzoek af, maar ziet in de gang van zaken wel aanleiding te bepalen dat de ziektekostenverzekeraar het klachtgeld van € 37,- aan verzoekster moet vergoeden.
Uitspraak Bindend advies GcZ, 6 mei 2026, SKGZ202501224